Gemeentebrief rev. Ank Muller Gemeentebrief rev. Ank Muller

Op Reis: God in Kenia

In de zomervakantie van 2018 reisde ik met mijn kinderen een maand door Kenia. We genoten van de prachtige natuur, we werden gastvrij onthaald door Keniaanse vrienden, gingen naar de lokale kapper, proefden echt verse mango’s en gebruikten de nieuwe (spoor-)wegen die door China zijn aangelegd. We zagen ook de minder mooie kant van Afrika: de gevolgen van klimaatverandering, overbevissing, bevolkingsgroei en werkloosheid.

En we zagen kerken, heel veel kerken! Katholieke en Anglicaanse kerken, het Leger des Heils, de Amerikaanse ‘Assemblies of God’ en talloze kleine, onafhankelijke kerkgenootschappen. Op hun muren waren leuzen geschilderd als ‘faith and discipline bring prosperity’ en ‘Jesus gives hope, health and happiness!’ Dat zijn grote beloften in een ontwikkelingsland. Wie wil geen welvaart, hoop, gezondheid en geluk?

 

In Nederland zullen kerken niet gauw grote beloften doen voor het leven op aarde. We zouden niet durven. Het riekt naar bedrog. Wanhopige mensen lokken met mooie praatjes, te mooi om waar te zijn. Door schade en schande wijs geworden verwachten we geen aardse wonderen meer van ons geloof. Maar dat roept wel de vraag op wat de Nederlandse kerken de mensen dan nog wél te bieden hebben?

 

De Nijmeegse theoloog Edward Schillebeeckx zei ooit: “God is een overbodige luxe.” In Nederland is God iets leuks voor erbij, een hobby. We hebben die God niet écht nodig. Tot ook wij in nood zijn. Als het water over de dijk slaat, de bommen vallen, een ziekte toeslaat en het einde van ons leven opeens akelig dichtbij is, zoeken we naar die God die we een beetje waren kwijtgeraakt.

 

Zo vertelde mijn opa een verhaal over het bombardement op Geleen in 1942. Opa en oma schuilden met hun baby - mijn moeder - en de buurman in de kelder van hun huis. Opa en oma zaten te bidden. De buurman bad niet mee. Hij was ‘communist’ volgens opa. De arme buurman raakte totaal in paniek en begon met zijn handen in de keldervloer te graven om nog dieper weg te kunnen kruipen. Uiteindelijk wist het gebed van de rozenkrans hem tot bedaren te brengen. “Nood leert bidden!” eindigde opa zijn verhaal altijd ietwat triomfantelijk.

 

Het verhaal van opa kon mij als opstandige puber niet overtuigen. Het lag er iets te dik bovenop. God leerde ik als 17-jarige kennen in Kenia. Bij Moslims en Christenen die helemaal niet bezig waren met mijn bekering maar zich gewoon geen leven zonder God konden voorstellen. God als de enige reden dat je niet bij de pakken neer moet gaan zitten. God als bron van energie om telkens opnieuw te proberen iets van het leven te maken. God als overlevingskracht en toekomst. Het geloof dat een beter leven mogelijk is, misschien niet voor jezelf maar dan toch zeker voor je kinderen. Dat er een koninkrijk komt zonder armoede, corruptie en stervende koraalriffen.

 

In het apocriefe boek Wijsheid staat: “Zoek Hem in eenvoud van hart (…) want kronkelige redeneringen verwijderen de mensen van God.” Kinderen dromen in al hun eenvoud van een mooie toekomst. Ieder klein kind gelooft dat een nieuwe aarde mogelijk is en dat voor elk probleem een oplossing zal worden gevonden. Niet ons geloof maar onze scepsis is aangeleerd.

 

In het geseculariseerde Nederland hebben wij boeken vol kronkelige redeneringen geschreven om onszelf te overtuigen van het bestaan van God of juist zijn afwezigheid. Voor veel Kenianen is dat geen onderwerp. Hij is er gewoon. Of zoals een Keniaanse vriend 25 jaar geleden uitriep terwijl wij met zeven Nederlandse jongeren de adembenemende schoonheid van een wolk flamingo’s bewonderden: “Look at this! How can you people say there is no God?!”

 

“Kijk dan! Hoe kunnen jullie Nederlanders zeggen dat God niet bestaat?”

Op reis in Kenia werd dat opeens een hele goede vraag.

pastor Ank Muller

terug